woensdag 15 juni 2016

Lieve Duivels, hoe leg ik het uit aan mijn zoon?

Lieve Duivels,

Hoe leg ik het uit aan mijn zoon?

Sinds mijn vijfjarige zoon een volgeplakt stickerboek van zijn nichtje kreeg, is hij in de ban van de Rode Duivels. Hij kan nog niet lezen, maar kent bijna elke speler bij naam. De dag dat hij van mij hoorde dat de Rode Duivels op nummer een van de wereldranglijst stonden, besloot hij deze topvoetballers voor eens en voor altijd als helden te omarmen. Iedereen heeft helden nodig, zeker jongetjes van vijf. Hij moest en zou nu voetballer worden, ‘om later, wanneer ik groot ben, papa,’ het shirt van de Belgen aan te kunnen trekken. Dat hij ook Formule 1-piloot of wielrenner wilde worden, was hij plots vergeten.
Omdat hij zo gek was van die internationals, en zelf behoorlijk goed en graag naar de grond duikt, kreeg hij van zijn meter voor kerst het groene truitje van Thibaut Courtois. Dat trekt hij nu elke dag aan. Dan loopt hij de tuin in en begint enkele ballen te trappen. Vervolgens vraagt hij zich luidkeels af waar de lokale Fellaini blijft. Die Fellaini ben ik. Omdat ik krullen heb en meer knoken dan spieren.

Maar lieve Duivels, hoe leg ik het straks uit aan mijn zoon, als zijn helden niet langer helden zijn? Als zij met meer rood op hun wangen dan op hun shirt een tornooi moeten verlaten waar hij en ik al die tijd naar uitgekeken hebben? Als een gek zoek ik verklaringen die ik op kindermaat zal moeten vertalen.

Heeft het met vermoeidheid te maken? Zijn jullie, na een zwaar seizoen bij jullie topclubs, te moe om nog kilometers in de nationale driekleur te hossen? Is jullie vaderlandse trots, samen met jullie truitjes, gekrompen in de was? Je hoort nochtans trots te zijn op het mogen verdedigen van de kleuren van je land. Dit land, dat door sommigen als een failed state of een hellhole wordt gezien, dat balanceert op het slappe koord tussen verzorgingsstaat en ontwikkelingsland, kan een opkikker gebruiken. Als ik op de decibels afga, die jullie produceerden bij het zingen van de Brabançonne, dan ontbreekt het jullie aan die fierheid. De grootte van jullie maandloon leek wel omgekeerd evenredig met jullie zin in zingen. En dat pianissimo ploeteren was op zijn beurt recht evenredig met de snelheid waarmee jullie je voortbewogen tussen de lijnen. Waar is toch die gezonde grinta gebleven? Krijgen jullie na de opwarming dan niet voldoende peper in de poep? Zijn jullie te veel vedette en te weinig ploegmaat? Zijn jullie verblind door eigen kunnen? Zit het organisatorisch keurslijf, waarin jullie moeten spelen, niet lekker? Zijn de premies en bonussen onvoldoende? Is het hotel niet trendy genoeg? Smaakt het gebak aan het buffet niet meer? Staat het gras op het trainingsveld te hoog?

Lieve Duivels, vergeef me. Ik zoek het misschien te ver. Wat kent een leerkracht als ik nou van voetbal? Vooralsnog staan de beste stuurlui aan wal. Maar bespaar me een moeilijk gesprek met mijn zoon en pers zaterdag uit longen en lijf wat van jullie verwacht wordt. Hij en ik verwachten een antwoord tussen de lijnen. Tussen de lijnen, de zoden en de netten die zullen trillen van tricolore vaderlandsliefde en grinta. Doe het voor vorst, voor vrijheid en mijn zoon, want vijfjarigen hebben helden nodig om te kunnen groeien. Ik geef alvast het goede voorbeeld. Ik bestelde daarnet een duivels truitje. Omdat ik als lokale Fellaini meer dan ooit achter de ploeg wil staan. Want winnen doen we tous ensemble. Verliezen uiteindelijk ook.

Gezonde grintagroeten,


Tom Marien


zondag 29 mei 2016

stadsgedicht/versje - voor de meest processieonvriendelijke stang van Vlaanderen (en ver daarbuiten)

De ijzeren stang in de Lierse Pompstraat (Begijnhof) eist eens per jaar de hoofdrol op tijdens de rondgang van de Mariale kinderprocessie. Omdat een beeld meer zegt dan duizend woorden, de volgende foto van Jimmy Kets (uit het fotoboek SINT3/Macht der gewoonte; uitgave van stad Lier en Jimmy Kets):



'gij houdt met uw pompeuze verstijven
o roestrode stang
twee muren en veel goden
genadeloos in bedwang'





maandag 23 mei 2016

stadsgedicht 500 jaar Spui

Met een academische zitting op 20 mei luidde de Sociëteit van de Schaepshoofden de festiviteiten rond 500 jaar Spui in. Na enkele hooggeleerde sprekers sloot ik de avond af met mijn stadsgedicht hier waak ik.



hier waak ik –  500 jaar spui 
hier waak ik
met mijn tenen in het water
groot genoeg om vloed te breken
voldoende klein om te verdwijnen                               
in de oksel van een stad

tussen torens van bomen
sta ik op wacht
onder mijn versmalde oog
zag ik ze komen – in keurige kolonnes
hun wapens blinkend in de zon -                
ik gaf geen krimp
ik barstte niet of boog
en zag ze ook weer gaan

meer dag en dauw wil ik hier plukken
als stenen hoeder van geblaat
trots en met verbeten trek
zal ik de palingschuiten groeten
de karpers en de kano’s
de honden en konijnen
ik zal er langer zijn
dan hen dan u

ik heb hier de eeuwigheid
u slechts een seconde



Na het uitgraven van een verbinding tussen de Grote en de Kleine Nete in 1426, bouwden de architecten Antoon I en Antoon II Keldermans het Groot Spui van 1508 tot 1516. Er kwamen twee sluizen, het Groot en het Klein Spui. Nu blijft enkel het Groot Spui over.

woensdag 4 mei 2016

Het gezeefde gedicht - publicatie koffie en brood

Mijn gedicht koffie en brood haalde de zeef van de maand.
Lees hier meer gezeefde gedichten.

koffie en brood
hoe leegte het bed bezet
een knook kraakt op de treden

hoe een klink het begeeft
een oog vlucht tussen brood

hoe een rug zich nu draait
een kop damp achterblijft

het ochtendlicht valt tegen
en altijd naast het bord

korTom

Gisteren zat ik op de bus. Een oudere dame schommelde door het gangpad. Ze zette zich met moeite op het vrije plekje naast mij. Ik lachte naar haar. Zij vroeg me op de man af wat ik deed in het leven. Ik vind dat een moeilijke vraag. Zeker wanneer ze als ijsbreker wordt ingezet.

Ze moet mijn aarzeling gezien hebben. ‘Wat doe je van job?’ verduidelijkte ze. Ik ademde een keer diep in. Toen heb ik gezegd waar het op stond: ‘Ik ben murenfluisteraar.’ Ze zette grote ogen op. ‘Kijk,’ verduidelijkte ik op mijn beurt. ‘Je hebt paardenfluisteraars en hondenfluisteraars. En ik fluister tegen muren.’ Ze kneep haar ogen tot spleetjes. ‘Zo gek is dat niet, mevrouw. In een bepaald deel van Jeruzalem is dat dagelijkse kost. En ik word er zelfs voor betaald.’ Ik liet een vette knipoog op haar los. Zij schudde haar hoofd. Ik begreep dat het moment gekomen was om het hard te spelen. Ik nam mijn portefeuille en haalde mijn lerarenkaart boven. Ze lachte toen ze het eindelijk begreep en vouwde haar handen boven haar sacoche. ‘Meneer is schoolmeester,’ zei ze toch vooral in zichzelf. Ze sprak zo stil dat het haast fluisteren was.     

zaterdag 23 januari 2016

Poëzieweek - boekenbeursimpressies 1.1

Met de Poëzieweek in het vizier moet ik plots aan een nocturne denken op de boekenbeurs. Aan de stand van Confituur Boekhandels hadden enkele dichters verzamelen geblazen. Gastvrouw Maud Vanhauwaert had hun kakelverse bundels gelezen. Ze interviewde. Dan was het aan de dichter* om zijn verzen gul in het rond te strooien. Het podium was schamel. Iets dat uit houten planken bestond en dat bijna aan fabriekspaletten deed denken. De toeschouwers zaten echt op paletten die in verschillende niveaus waren gestapeld. De kwaliteit van de microfoons en de boxen liet te wensen over. Op de koop toe werd de voordracht meermaals onderbroken door het geronk van een milkshakemachine een stand verderop. De wankele positie van de dichter bleek nooit beter geïllustreerd dan in deze hoek van hal 4. Eenzaam staat hij op de barricade. En hoezeer hij ook zijn verzen spuit, hij is amper hoorbaar. Of dat ook zonde is, is vers twee.

* De dichter kan zowel vrouwelijk als mannelijk zijn.

Opmerkelijke noot: Het zal de komende weken wel even anders zijn, dat van die barricades en goedkope microfoons. www.poezieweek.com